Het Wilhelmus

Da Wikipedia, l'enciclopedia libera.

È l'Inno Nazionale dei Paesi Bassi, Wilhelmus van Nassowe ("Guglielmo di Nassau"). Apparve durante la Guerra degli ottant'anni che vide alla fine del Cinquecento-inizio del Seicento la lotta degli olandesi per la libertà contro gli spagnoli, dovuta non solo ad aspirazioni di indipendenza, ma anche al problema della conversione alla religione protestante. Guglielmo I d'Orange, passato alla storia come Guglielmo il taciturno fu il condottiero artefice della libertà dell'Olanda, espressa nel suo famoso motto "je maintendrai".

Durante la guerra apparve questo nobile e solenne canto, ad opera del musicista Adriaan Valerius van der Veere (1575-1625) sul testo di Philip Marnix von Sint Aldegonde (1540-1598), la certezza esatta del nome del poeta però non esiste. Con l'anno 1626 il canto, già ben noto da tanti anni, divenne il simbolo della nuova Repubblica dei Paesi Bassi. Tuttavia l'inno non venne reso ufficiale, nemmeno nel successivo Regno olandese, e così il primato di primo inno nazionale europeo ando perdutò, e conquistato dall'inno britannico del 1745. Appena il 10 maggio 1932 l'inno olandese venne proclamato tale in via ufficiale. L'inno conta ufficialmente ben 15 strofe, ma si canta soltanto la prima di esse.

L'inno olandese viene citato in tre composizioni di musica classica, delle quali due sono del giovane Mozart (K.25 e K.32).

Testo in Originale[modifica | modifica sorgente]

Wilhelmus van Nassouwe

ben ik, van Duitsen bloed,

den vaderland getrouwe

blijf ik tot in den dood.

Een Prinse van Oranje

ben ik, vrij onverveerd,

den Koning van Hispanje

heb ik altijd geëerd.


In Godes vrees te leven

heb ik altijd betracht,

daarom ben ik verdreven,

om land, om luid gebracht.

Maar God zal mij regeren

als een goed instrument,

dat ik zal wederkeren

in mijnen regiment.


Lijdt u, mijn onderzaten

die oprecht zijt van aard

God zal u niet verlaten,

al zijt gij nu bezwaard.

Die vroom begeert te leven,

bidt God nacht ende dag,

dat Hij mij kracht zal geven,

dat ik u helpen mag.


Lijf en goed al te samen

heb ik u niet verschoond,

mijn broeders hoog van namen

hebben 't u ook vertoond:

Graaf Adolf is gebleven

in Friesland in den slag,

zijn ziel in 't eeuwig leven

verwacht den jongsten dag.


Edel en hooggeboren,

van keizerlijken stam,

een vorst des rijks verkoren,

als een vroom christenman,

voor Godes woord geprezen,

heb ik, vrij onversaagd,

als een held zonder vreden

mijn edel bloed gewaagd.


Mijn schild ende betrouwen

zijt Gij, o God mijn Heer,

op U zo wil ik bouwen,

Verlaat mij nimmermeer.

Dat ik doch vroom mag blijven,

uw dienaar t'aller stond,

de tirannie verdrijven

die mij mijn hart doorwondt.


Van al die mij bezwaren

en mijn vervolgers zijn,

mijn God, wil doch bewaren

den trouwen dienaar dijn,

dat zij mij niet verassen

in hunnen bozen moed,

hun handen niet en wassen

in mijn onschuldig bloed.


Als David moeste vluchten

voor Sauel den tiran,

zo heb ik moeten zuchten

als menig edelman.

Maar God heeft hem verheven,

verlost uit alder nood,

een koninkrijk gegeven

in Israël zeer groot.


Na 't zuur zal ik ontvangen

van God mijn Heer dat zoet,

daarna zo doet verlangen

mijn vorstelijk gemoed:

dat is, dat ik mag sterven

met eren in dat veld,

een eeuwig rijk verwerven

als een getrouwen held.


Niet doet mij meer erbarmen

in mijnen wederspoed

dan dat men ziet verarmen

des Konings landen goed.

Dat u de Spanjaards krenken,

o edel Neerland zoet,

als ik daaraan gedenke,

mijn edel hart dat bloedt.


A ls een prins opgezeten

met mijner heires-kracht,

van den tiran vermeten

heb ik den slag verwacht,

die, bij Maastricht begraven,

bevreesde mijn geweld;

mijn ruiters zag men draven

zeer moedig door dat veld.


So het den wil des Heren

op dien tijd had geweest,

had ik geern willen keren

van u dit zwaar tempeest.

Maar de Heer van hierboven,

die alle ding regeert,

die men altijd moet loven,

en heeft het niet begeerd.


Seer christlijk was gedreven

mijn prinselijk gemoed,

standvastig is gebleven

mijn hart in tegenspoed.

Den Heer heb ik gebeden

uit mijnes harten grond,

dat Hij mijn zaak wil redden,

mijn onschuld maken kond.


Oorlof, mijn arme schapen

die zijt in groten nood,

uw herder zal niet slapen,

al zijt gij nu verstrooid.

Tot God wilt u begeven,

zijn heilzaam woord neemt aan,

als vrome christen leven,

't zal hier haast zijn gedaan.


Voor God wil ik belijden

en zijner groten macht,

dat ik tot genen tijden

den Koning heb veracht,

dan dat ik God den Heere,

der hoogsten Majesteit,

heb moeten obediëren

in der gerechtigheid.

Traduzione delle prime cinque strofe[modifica | modifica sorgente]

Io sono Guglielmo di Nassau, di sangue germanico, rimarrò fedele alla patria finché non morirò. Sono un principe d'Orange libero e senza paura. Ho sempre onorato il re della Spagna.

Ho sempre cercato di vivere con la paura di Dio. Per questo sono stato allontanato dalla mia terra e dal mio popolo. Ma Dio mi governerà come un buon strumento. Così ritorno al mio regno.

Tenga ai miei sudditi, che sono onesti di natura, Dio non vi abbandonerà, anche se ora siete nella disperazione. Colui che cerca di vivere pienamente deve pregare Dio giorno e notte, che lui mi dia la forza di aiutarvi.

Non risparmiai né il mio corpo né le mie ricchezze per aiutarvi. I miei nobili fratelli ve l'hanno dimostrato a pieno: il Conte Adolfo morì in Frisia durante la battaglia. La sua anima aspetta l'immortalità nel giudizio universale.

Nato nobile e di nobile ed imperiale discendenza. Scelto come principe dell'impero, come un onesto cristiano per l'onorata parola Guerra ho rischiato il mio nobile sangue senza paura come un eroe.

Altri progetti[modifica | modifica sorgente]